Heftige blog: Wat de ambulancebroeder dan zegt, verandert mijn hele wereld.

Wat de ambulancebroeder dan zegt, verandert mijn hele wereld.

Dan hoor ik door het oortje van mijn porto: “4801 en 4830”, ik luister mee, want dat zijn de roepnummers van ons bureau. ”Wilt u gaan naar plaats x, in verband met een aanrijding letsel. Fietser contra auto. U heeft toestemming. ”Ik zie dat je opveert en richting de motor rent. Je maatje gaat ook naar zijn voertuig. Omdat het een prioriteit 1 melding is, besluit ik er ook achteraan te rijden. Omdat je met de motor veel sneller bent, zie ik je uit mijn zicht verdwijnen.

Ik rijd achter je maatje aan, hij was iets eerder weg uit het bureau. Het verbaast mij hoe goed iedereen oplet en ruimte maakt voor ons. Na ongeveer 1 minuut rijden zie ik verschillende mensen aan de rechterkant van de weg staan. Ik zie de angst en ongeloof in hun ogen. Ze wijzen naar de overkant van de weg, maar waarom weet ik niet. Op het moment dat ik die kant op kijk, zie ik nog een kleine stofwolk door de lucht zweven. Ik bedenk dat we hier helemaal niet moeten zijn. We zijn nog niet eens halverwege van de plek van de melding!

20 meter voor onze auto ligt een motor. Niet zomaar een motor, een politiemotor! Ik druk mijn noodknop in om het zo snel mogelijk door te geven aan de meldkamer. Ik ren naar je toe en zie dat het niet goed is. Een collega in vrije tijd, die toevallig langskwam, heeft je hoofd vast en houdt je verder in de gaten. Ik kijk om mij heen en zie ongeveer 50 meter verder een auto in de greppel staan. Dit is de auto waarmee jij een aanrijding hebt gehad. Ik ren op de auto af om daar eerste hulp te verlenen. De achterbank van de auto ligt het vol met spullen, waardoor ik niet achter de inzittenden kan gaan zitten om eventueel hun hoofd te fixeren. Ik zeg tegen hen dat hulp onderweg is en dat ze stil moeten blijven zitten. Ik hoor de passagier vragen: “hoe heeft de politie ons aan kunnen rijden?” Omdat ik vol in de emotie zit onderdruk ik mijn eerste reactie en zeg tegen hen dat ik het niet weet, maar dat ze rustig moeten blijven zitten.

Ik ren terug naar jou omdat je nog steeds op de grond ligt en niet reageert. Omdat ik geen goed gevoel heb bij de mensen in de auto, zeg ik tegen de vriend van de collega die al bij je zat, dat hij bij de mensen in de auto moet gaan kijken. De collega in vrije tijd, zegt dat je wegvalt. Ik ren naar de dienstauto om een de AED te pakken.
Je maatje en ik beginnen met het reanimeren. In de verte hoor ik de ambulance aankomen, maar daar heb ik eigenlijk geen oog voor. Ik hoor dat de AED aangeeft dat het geen schok adviseert.

Een omstander vraagt of zij de reanimatie moet overnemen, ik zeg tegen haar dat dit niet hoeft. Als ik nog een half uur moet doorgaan en jou daar mee terug krijg, doe ik dat. De ambulancemedewerker sluit spullen aan op onze AED plakkers. Wij blijven reanimeren maar de broeder geeft aan dat we even moeten stoppen zodat de apparatuur kan meten hoe het met je gaat.

Hij schudt zijn hoofd. Wat de ambulancebroeder dan zegt, verandert mijn hele wereld. Ik kijk hem aan en hoor hem zeggen: “stop maar.” Op dat moment vergaat mijn wereld. Ik moet even een moment voor mezelf hebben en stap een
in. Ik gooi mijn porto door de auto en wil even niks horen. Ik begin te huilen en bedenk mij hoe het nu verder moet. Jij, die mij naar dit team heeft gehaald, verongelukt op de eerste dag in mijn nieuwe team. Hoe moet het verder met je vrouw, die net zwanger is van de tweede, en je oudste zoon.

Omdat ik jouw vrouw ook heel goed ken, besluit ik dat ik het bericht wat je nooit wilt geven, aan haar ga overbrengen. Niemand kan mij daarvan weerhouden, ook mijn leidinggevende niet. Ik ga samen met de teamchef naar je vrouw om het bericht te vertellen. Wij komen aan op de plek waar je vrouw werkt en vertellen haar het slechte nieuws. Ik neem haar in hun auto mee terug, onderweg lachen we nog om wat dingen die jij had gedaan. Ik realiseer mij dat het voor haar nog niet is geland, dat jij er echt niet meer bent. Wanneer de confrontatie plaatsvindt, zit ik in de wachtkamer. Je vrouw komt terug en wil nog een keer kijken. Ze kijkt mij aan en wil dat ik mee ga. Ik ga met haar mee en zie je liggen, je ligt nog in de politiekleding die je vandaag aangetrokken hebt. Het lijkt alsof je slaapt, maar ik weet dat je nooit meer wakker wordt.

Het is 24.00uur, ik kom kapot thuis, heb geen energie meer en ben verdrietig. Thuis zitten mijn vrouw en familieleden op mij te wachten. Op het moment dat ik de kamer in loop, heb ik nergens zin in en wil eigenlijk niks vertellen. Ik hoor mijn zoon huilen in bed, ik loop naar boven en pak hem in mijn armen. Ik voel dat hij rustig wordt van mijn aanwezigheid en leg hem terug in zijn ledikant. Als ik naar beneden loop begin ik te huilen en zeg zachtjes in mijzelf: ”Hoe nu verder, hoe nu verder zonder jou?”

Martijn 10-09-2011