De rechtbank in Den Bosch heeft donderdag een 60-jarige wegenwachter uit Westerhoven veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk. De man werd schuldig bevonden aan het veroorzaken van de dood van een 56-jarige Eindhovenaar tijdens een achtervolging in mei 2024.
De zaak draaide om een incident waarbij de wegenwachter tijdens het verlenen van pechhulp werd bestolen van zijn mobiele telefoon en portemonnee, waarin ongeveer zeshonderd euro zat. Nadat hij op de hoogte was gebracht van de diefstal, besloot hij de vermoedelijke dader op te sporen.
Volgens de rechtbank was het begrijpelijk dat de man boos reageerde op de diefstal. Toch oordeelden de rechters dat hij veel te ver ging in zijn poging om zijn eigendommen terug te krijgen. De achtervolging leidde tot gevaarlijke situaties op de weg en eindigde uiteindelijk fataal.
Het Openbaar Ministerie stelde eerder dat de wegenwachter bewust grote risico’s nam door de verdachte langdurig te achtervolgen. Daarmee zou hij volgens justitie de kans hebben aanvaard dat ernstig letsel of zelfs de dood van een ander kon ontstaan. De rechtbank sloot zich bij die redenering aan.
In het vonnis staat dat het niet te rechtvaardigen is om op deze manier achter een verdachte aan te gaan. De rechters benadrukten dat een bestelbus onder dergelijke omstandigheden levensgevaarlijk kan zijn, zeker wanneer deze dicht achter een fietser rijdt. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat de bestuurder de bedoeling had het slachtoffer te doden, werd zijn rijgedrag als buitenproportioneel bestempeld.
De advocaten van de wegenwachter vroegen om vrijspraak. Volgens hen reed hun cliënt niet roekeloos en overschreed hij de maximumsnelheid niet. Ook voerden zij aan dat het slachtoffer onverwacht vanaf de stoep de rijbaan opreed, waardoor een aanrijding moeilijk te voorkomen was.
Daarnaast plaatste de verdediging vraagtekens bij de betrouwbaarheid van enkele getuigenverklaringen. Sommige getuigen zouden het slachtoffer persoonlijk hebben gekend en volgens de advocaten mogelijk onjuiste verklaringen hebben afgelegd.
Het incident begon op 16 mei 2024 bij een supermarkt aan de Urkhovenseweg in Eindhoven. Terwijl de wegenwachter een automobiliste met pech hielp, werden zijn telefoon en portemonnee uit zijn voertuig weggenomen.
Een omstander zag de diefstal gebeuren en waarschuwde hem direct. De verdachte vluchtte op een elektrische fiets. Hoewel de wegenwachter aanvankelijk probeerde hem te achterhalen, verloor hij hem uit het oog.
Later die dag ontdekte zijn zoon via een locatie-app waar de gestolen telefoon zich bevond. De wegenwachter besloot daarop opnieuw op zoek te gaan. Bij een speeltuin aan de Kempensebaan zag hij drie mannen, van wie hij er één herkende als de vermoedelijke dief.
Volgens de rechtbank stapte hij vervolgens uit zijn voertuig met een bandenlichter in zijn hand. Toen de verdachte opnieuw vluchtte op de fiets, zette de wegenwachter wederom de achtervolging in.
Beelden die tijdens de rechtszaak werden getoond, lieten zien hoe de achtervolging zich door Eindhoven verplaatste. Uiteindelijk reed de fietser de Van Minderhoutstraat in. Daar werd hij van achteren geraakt door de bestelbus, die volgens onderzoek tussen de 23 en 25 kilometer per uur reed.
Het slachtoffer kwam onder het voertuig terecht. Toen de bestuurder achteruit reed, werd de man opnieuw geraakt. De fietser werd zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht, waar hij twee dagen later overleed aan zijn verwondingen.
Na de aanrijding deden zich volgens het dossier opmerkelijke gebeurtenissen voor. Bekenden van het slachtoffer zouden geld, een telefoon en andere bezittingen uit zijn zakken hebben gehaald terwijl hij zwaargewond op de grond lag. Ook zou een patroon uit zijn kleding zijn verwijderd.
De rechtbank ging niet mee in de stelling dat de wegenwachter zelf geld van het slachtoffer had weggenomen. Wel speelde deze discussie een rol tijdens het onderzoek en de rechtszaak.
Hoewel het Openbaar Ministerie had gevraagd om een rijontzegging van vijf jaar, besloot de rechtbank die maatregel niet op te leggen. Volgens de rechters is de kans dat de veroordeelde opnieuw een vergelijkbaar feit pleegt beperkt.
