Blog: ‘Sorry dat ik je stoor’

blog
Foto: Politie

‘Spannend hè, papa…?’ Op de bank voel ik hoe mijn zoon zijn warme lichaampje nog wat steviger tegen me aanduwt. Op tv zijn een aantal getekende puppy’s bezig met een spectaculaire actie die in de wereld van mijn grote kleine vent van levensbelang is. Ik hou mijn hoofd er niet helemaal bij. Vermoeid van een weekend werken kijk ik met hem mee. Ik voel zijn hartje door zijn pyjama heen sneller slaan. De puppy’s weten ook dit avontuur weer tot een goed einde te brengen. En terwijl hij resoluut de tv uitzet en meedeelt dat ‘ie nu wel klaar is om naar bed te gaan schiet ik in de lach. September wordt ‘ie drie. Mijn bink.

De telefoon haalt me uit mijn glimlach. Daar waar ik in mijn papatijd het ding nog wel eens weg wil stoppen, zie ik nu dat er een onbekend nummer belt. De nieuwsgierigheid wint het. “Roel, sorry dat ik je stoor. Ik bel je omdat er zojuist een reanimatie is gemeld enkele straten van jouw woning. Een kindje van twee is in een zwembad gevallen en de collega’s en ambulances zitten erg ver uit de buurt.” De centralist, met wie ik tot voor kort nog dienst deed op de meldkamer, heeft zelden moeite gehad met het onderdrukken van emoties in zijn uitgifte van meldingen. Nu hoor ik per direct dat hij plaatsvervangende stress heeft en zo snel mogelijk hulp bij het kindje wil hebben. Nog voor hij is uitgesproken heb ik mijn schoenen al onder de salontafel uitgevist. “Ik heb nog niet gekeken wie daar woont, dus pas op dat het bekenden kunnen zijn”. Met die mededeling sta ik in drie treden boven aan de trap. Mijn vrouw, die zo de nachtdienst in mag, heeft direct door dat het menens is en is ook meteen wakker. Ze roept me nog na dat ik op moet schieten en ik weet dat ze oprecht bedoelt dat ik moet maken dat ik daar kom. Om absoluut geen enkele seconde te verliezen gris ik de sleutels van het dressoir en vlieg mijn auto in. Nog geen 30 seconden later komt die auto gierend tot stilstand op het trottoir voor de betreffende woning uit de melding. In mijn burgerkloffie vlieg ik de voordeur door en wordt door een van kleur verschoten tiener naar de tuin gewezen.

Op het gras zit een mevrouw. Schommelend, wiegend, starend. Ze huilt. Tegen zich aan haar kindje. Doordrenkt. Ik vraag haar hoe lang het kindje onder water is geweest. Ik hoor haar snikken dat ze dat niet precies weet maar dat ze het kind een minuut of vijf zijn kwijt geweest. Tegenzin maakt zich meester van mijn lichaam. Angst. Op weg door mijn eigen voordeur was ik me er al van bewust dat een reanimatie in de meeste gevallen geen goed einde kent. Onder lichte dwang neem ik haar toch haar kindje uit haar armen. Intens bedroefde ogen kijken me aan, met een ongekend schuldgevoel en een immense hoop op sussende woorden. Terwijl ik het kindje op haar rug draai hoor ik moeder zeggen dat ze al geprobeerd had te reanimeren.

Ik hoor het kindje rochelen en voel gelukkig meteen een hartslag. De poging van moeder is niet tevergeefs geweest. Terwijl ik het kindje op haar zijkant van moeder afdraai haal ik snel een vinger door haar mond om wat laatste restjes maaginhoud te verwijderen. Er stroomt nog een golfje water uit haar mond. In mijn hoofd ga ik na wat van belang is. Ik zit inmiddels op mijn knieën naast het kindje. Zo kan ik haar gezichtje in de gaten houden.

Ik maak me zorgen omdat ik over het rochelen van haar longetjes heen nog geen sirenes hoor. Ik vraag één van de mensen die er bij staan een warme deken te gaan halen omdat het gevaar van onderkoeling me te binnen schiet. Anderen stuur ik weg met de kinderen die er omheen staan. Eén van de laatste die ik wegstuur heeft de expliciete opdracht de ambulance op te gaan vangen aan de voorzijde van de woning. Als laatste betrap ik mezelf er op dat deze mensen geen flauw benul hebben wie ik ben. Ik leg hen uit dat ik een agent ben die in de buurt woont en gebeld werd door de meldkamer. In de ogen van moeder is een wisseling te zien bij het besef dat ik geen arts ben maar wel gekomen ben om haar en haar kindje te helpen.

Ik hoor nog steeds geen sirenes. Mijn collega op de meldkamer had in ieder geval gelijk toen hij zei dat de collega’s en ambulances niet in de buurt waren. Ik merk dat het meisje, het zij kort en oppervlakkig, blijft ademhalen en kennelijk voldoende zuurstof binnen krijgt. Terwijl ik haar in een stabiele zijligging ondersteun, prik ik af en toe gemeen met een vingernagel in haar voet en teentje. Iedere keer krijg ik een matige reactie in het lichaam. Iedere keer stelt die matige reactie me gerust dat ze nog bij ons is en meevecht.

Als er dan eindelijk lawaai van de straat komt verraad de blauwe broek dat de collega’s dichter bij waren dan de ambulances. Het zijn er ook meteen vier. Terwijl de eerste twee bij me komen staan willen de andere twee de tuin leegruimen van omstanders. Dit wordt abrupt afgebroken als ook de gillende aantocht van de ambulance hoorbaar wordt. In een mum van tijd wordt gedeeld wat dusver gebeurd is. Ik vouw het kleine shirtje tussen tussen de schaar van de ambulancemedewerker. De tweede broeder reikt de hartslagstickers aan die ik met de vingers van een hand gespreid op haar kleine natte lichaampje kan houden. Terwijl het schermpje van de hartslagmonitor mijn beperkte medische kennis enigszins geruststelt, hoor ik de ambulancemedewerker via de portofoon doorgeven dat ze het kindje met zwaailicht en sirene naar het ziekenhuis gaan brengen. Toch weer die angst of het wel goedkomt.

De ambulancemedewerker kijkt me aan en zonder twijfel neem ik het kindje in mijn armen. De stickers en bijbehorende draadjes hebben haar interesse gewekt en ze huilt. Hard nu. Met het kindje in mijn armen hol ik, zo snel als de lengte van de monitorkabeltjes het toelaten, achter moeder aan. De kleine menigte op straat gaat met gebogen hoofd en doodse stilte aan de kant en ongehinderd bereiken we de brancard. Terwijl de ambulancemedewerker voorbereidingen treft trek ik het kindje haar natte, koude broek uit en wrijf haar hard droog en warm met de deken van de brancard. Moeder zit er naast en krijgt maar half mee wat er allemaal gebeurt. Ik snoer het kindje vast in het bed en leg een hand op de schouder van moeder. Ik weet niets anders te zeggen dan dat een ongeluk altijd in de kleinste hoekjes zit en dat ze haar hoofd supergoed koel heeft gehouden.
Ik meen dat. Als ongelukken in grote hoeken zaten zagen we ze aankomen, konden we er wat aan doen. Dat voorrecht hebben we echter niet. Als politieman weet ik dat ik, net als u burger, alleen maar af en toe mijn best kan doen zo’n ongeluk een zo goed mogelijk einde te geven.

Bij thuiskomst zit mijn zoon vol trots op mijn kussen op het bed. Naast mama mag hij vandaag extra lang opblijven omdat het nog weekend is. En het toeval wil dat de puppy’s nog een keer op tv waren! Ik kruip naast hem op bed. Ik voel zijn warme lichaampje in mijn armen en geniet van zijn verhoogde hartslag. Geniet intens van de warmte en het leven dat ik hier bij me heb. Geniet van de wetenschap dat mijn dochter van het hele verhaal niets meekreeg omdat haar leeftijd haar een ruim uur eerder in bed brengt.
Even voel ik me schuldig dat ik, het verdriet van zojuist kort neerleggende, geniet van mijn grootste bezit. Mijn kids. Warm, droog, gezond.
De trots komt pas als ik hoor dat het kindje het goed maakt en niet is overgebracht naar een specialistisch ziekenhuis. Mijn zoon krijgt een extra laat en extra lang bedtijdverhaaltje.

Roel Timmermans van Politie Gemert-Bakel en Laarbeek

PS. Het meisje is er gelukkig weer helemaal bovenop gekomen.