Jeugddetentie voor bedreigen burgemeester Laarbeek

Zitting
Stockfoto: Rechtspraak

De rechtbank Oost-Brabant heeft een 19-jarige jongeman uit Beek en Donk veroordeeld tot 12 weken jeugddetentie, waarvan 10 weken voorwaardelijk voor het met de dood bedreigen van de burgemeester van Laarbeek.

De verdachte had in december vorig jaar een gesprek met de burgemeester van Laarbeek in de hal van het gemeentehuis. De burgemeester wilde in dat gesprek aan hem een locatieverbod opleggen, omdat hij eerder ontoelaatbaar gedrag vertoonde bij een overleg over zijn huisvestingsproblemen. De verdachte was het daar niet mee eens en riep op enig moment tegen de burgemeester “ik kom hier niet meer binnen, ik kom jou wel tegen op straat” en “ik maak jou dood”.

De rechtbank weegt mee dat de bedreiging grote indruk heeft gemaakt op de burgermeester. Het heeft bij hem en zijn naasten gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen. Ook veroorzaakte de bedreiging onrust in de (plaatselijke) gemeenschap. De burgemeester vervult een publieke functie die onder meer is gericht op de handhaving van de openbare orde en veiligheid. De burgemeester moet ongestoord en zonder vrees zijn werk kunnen doen. De bedreiging heeft ook de overige aanwezigen in de hal van het gemeentehuis geschokt.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat deze bedreiging van de verdachte een eenmalige, op zich zelf staande gebeurtenis is geweest, veroorzaakt door zijn persoonlijke problemen. De bedreiging was niet gericht op de (structurele) ondermijning van de publieke functie van de burgemeester.

De rechtbank is van oordeel dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Uit onderzoek van een psychiater en een psycholoog blijkt onder meer dat bij de jongeman sprake is van ontwikkelingsproblematiek en een verstandelijke beperking. Hij functioneert in de praktijk als jeugdige en kan zijn gedrag nauwelijks organiseren.

De officier van justitie eiste dat de jongeman zou worden geplaatst in een inrichting voor jeugdigen. De rechtbank komt op basis van het advies van de psychiater en de relatief beperkte ernst van het feit tot het oordeel de verdachte de kans te geven in een ambulant forensisch kader aan zijn problematiek te werken. Daarbij speelt ook de afweging mee dat de verdachte niet eerder door de rechtbank is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf en daarmee geen sprake is van recidive. De rechtbank legt daarom een celstraf op met een fors voorwaardelijk gedeelte, om ervoor te zorgen dat de verdachte onder meer zal meewerken aan een ambulante behandeling voor zijn psychische problematiek.